Contemporanea
Jaargang XL Jaar 2018 Nummer 1

Review

Grenzeloos ouderschap? Historisch denken over interlandelijke adoptie en transnationale verplaatsingen van kinderen

Chiara Candaele, Universiteit Antwerpen

Zowel in het academische als het publieke debat is interlandelijke adoptie regelmatig het onderwerp van polemische discussies. Aan de ene kant wordt adoptie voorgesteld als een humanitaire maatregel die zowel een ouderloos kind als een kinderloos koppel ten goede komt. Aan de andere kant beheersen stemmingmakende reportages en krantenkoppen met termen als ‘kinderhandel’ en ‘babyfarming’ al decennialang het persdebat. In de nasleep van de Tweede Wereldoorlog en verschillende dekoloniseringsconflicten onstond interlandelijke adoptie als een filantropisch project dat ‘noodleidende’ kinderen van het Globale Zuiden naar het Globale Noorden herlokaliseerde. In de daaropvolgende decennia evolueerde de adoptie van subalterne kinderen naar een supranationaal georganiseerde en gereguleerde praktijk van gezinsuitbreiding voor Westerse families. Sinds de globale piekjaren aan het begin van de huidige eeuw lijkt interlandelijke adoptie echter op zijn retour te zijn, in die mate zelfs dat toonaangevende onderzoekers het einde van interlandelijke adoptie aankondigen.1 Deze hypothese poneert adoptie dan ook als een bijzonder vruchtbaar onderwerp voor historici, gezien deze aantoont hoezeer praktijken en opvattingen rond kindertijd en ouderschap, maar ook verwantschap en burgerschap in tijd en ruimte geconstrueerd worden.

Het eerste ‘contingent’ Ecuadoraanse adoptiekinderen wacht op de luchthaven van Quito op hun vertrek naar België. Rechts zien we de Belgische ambassadeur L. Mariën, 1969. (Eigen collectie)

Desondanks staat het historisch onderzoek naar interlandelijke adoptie nog in zijn kinderschoenen. Verzegelde adoptiedossiers en een laag archiefbewustzijn van de betrokken organisaties vernauwen de onderzoeksmogelijkheden en belemmeren de toegang tot primair bronnenmateriaal. Dit reviewartikel neemt enkele belangrijke bijdrages en verschuivingen in het onderzoeksveld onder de loep, met een zijsprong naar studies over transnationale en transraciale verplaatsingen van kinderen. Tot op heden wordt het jonge historische debat gekenmerkt door consensus. Belgische bijdrages zijn vooralsnog op één hand te tellen, al wordt er in de slotalinea ingegaan op onderzoekskansen in eigen land.

De Zweedse feministe Ellen Key declareerde de twintigste eeuw al in 1909 als ‘de eeuw van het kind’. De jaren 1900 zouden zich inderdaad laten kenmerken door een geleidelijke uitbouw van kinderrechten, maar ook door een groeiende verstrengeling van politiek en kinderwelzijn, waarbij ‘het kind’ zowel een symbolische als concrete verbeelding van het welzijn van de natiestaat is geworden. Historici hebben zich met veel ijver gestort op de tientallen voorbeelden van Intra-Europese ‘kindertransporten’ en vakantiekolonies die in de nasleep van de wereldoorlogen soelaas moesten bieden aan oorlogswezen en kinderen in zwaar getroffen gebieden. Tegelijkertijd beklemtonen geschiedschrijvers hoe deze relocaties niet enkel door filantropische motieven, maar ook door politieke ideeën en agenda’s werden vormgegeven. Tara Zahra geeft met The Lost Children een treffende illustratie van de supranationale samenwerking die de plaatsing en gezinshereniging van oorlogswezen met zich meebracht. Tegelijk toont ze aan hoe een humanitair project een voedingsbodem werd voor ideologische competitie en conflicten.2 Voor België bestaan er gevalstudies over de opvang van ‘los niños’ tijdens de Spaanse burgeroorlog en de meer dan 20.000 ‘Hongaartjes’ die tussen 1923 en 1927 bij een Belgisch pleeggezin werden ondergebracht.3 Beide auteurs weten trefzeker aan te tonen hoe alle actoren naar eigen zeggen ‘in het belang van het kind’ handelden, maar tegelijk deze belangen wisten te herinterpreteren naar gelang de eigen agenda’s en verwachtingspatronen.

Het ‘wezenvraagstuk’ in de nadagen van de Eerste Wereldoorlog bracht ook de ontwikkeling van het adoptie- en pleegvoogdijsysteem in een stroomversnelling. Waar adoptie in de negentiende eeuw vooral om erfrechterlijke redenen werd aangewend, evolueerde de instelling onder druk van caritatieve organisaties in een wettelijke gekadreerde maatregel tot jeugdbescherming.4 Niet langer het belang van de adoptant, maar het welzijn van de geadopteerde kwam centraal te staan. Rond de milenniumwende werd deze rationale echter op de korrel genomen door historici als Julie Berebitsky en Barbara Melosh, die aantoonden hoe de dagdagelijkse beslissingen van zorgverleners vooral geleid werden door traditionele en patriarchale opvattingen over moederschap en het kerngezin.5 Het adoptiegezin mocht dan wel symbool staan voor sociale mobiliteit en het Amerikaanse pluralisme, in werkelijkheid bevorderden adoptiepraktijken de reproductie van sociale ongelijkheden.

De ontsluiering van machtsverhoudingen werd nog saillanter wanneer onderzoekers zich begonnen te buigen over transnationale en ‘transraciale’ adoptie. Het onderzoek naar interlandelijke adoptie was lange tijd het exclusieve domein van psychologen en pediaters, wiens werk dikwijls beperkt bleef tot een bespreking van gedrags- en ‘aanpassings’problemen bij adoptiekinderen. Deze eenzijdige vertogen, waarvan de auteurs dikwijls zelf adoptieouder waren, werden in de laatste twintig jaar terecht doorprikt door cultureel antropologen, die de aandacht vestigden op de Westerse conceptualisering van ‘ouderschap’ en ‘verwantschap’. De Noorse antropologe Signe Howell schreef met The Kinning of Foreigners een invloedrijke studie waarin ze wijst op de historisch gegroeide pathologisering van adoptiekinderen. In eigen land wierp Katrien De Graeve in haar doctoraatsonderzoek naar adopties uit Ethiopië licht op de dramatisering van adoptief-ouderschap.6 Christophe Bex behandelt dan weer de ervaringen en agency (of het gebrek daaraan) van Boliviaanse geboortemoeders.7 Hiermee treedt hij in de voetsporen van de onderzoeksinitiatieven van enkele nu-volwassen adoptiekinderen, die hun eigen ervaringen theoretiseerden en een pleidooi hielden om de stemmen van geadopteerden en geboorte-ouders een prominentere plaats op de onderzoeksagenda toe te kennen.8

In de laatste tien jaar verschoof de aandacht van onderzoekers van de sociale constructie van ouderschap en verwantschap naar de analyse van interlandelijke adoptie vanuit een politiek en postkoloniaal perspectief. Historische onderzoekers kaderen adoptie nu doorgaans als een neokoloniale praktijk, die raciale ongelijkheden en koloniale denkkaders heeft bestendigd. In Somebody’s Children traceert Laura Briggs de ideologische roots van interlandelijke adoptie in de Amerikaanse rassenpolitiek, waar ‘transraciale’ verplaatsingen van kinderen in de context van de Koude Oorlog tegelijk als disciplineringsmiddel en als geopolitiek instrument fungeerden. De titel van het boek is een rechtstreekse aanklacht op de stellingen van de invloedrijke juriste Elizabeth Bartholet dat adoptiekinderen ‘nobody’s children’ zouden zijn.9 Het meest notoire voorbeeld van deze relocaties is ongetwijfeld de zogenaamde ‘Operation Babylift’, waarbij duizenden Vietnamees-Amerikaanse ‘GI-babies’ in 1975 via een luchtbrug ‘gerepatrieerd’ werden. Recente trends in het onderzoeksveld situeren interlandelijke adoptie in bredere ontwikkelingen op het gebied van internationale betrekkingen en immigratiebeleid. Yves Denéchère schreef met Les enfants venus de loin een lijvige weergave van bijna een eeuw kindermigratie naar Frankrijk. Zijn kroniek van het Franse adoptiesysteem werpt nieuw licht op de rol van diplomaten en is één van de weinige monografieën die ons inzicht doet verkrijgen in de verbanden tussen verschillende verplaatsingen.10 Nog dichter bij huis vormt het onderzoek van Sarah Heynssens over de ‘evacuatie’ van zo’n driehonderd Rwandese en Burundese metissen aan de vooravond van de Congolese onafhankelijkheid een belangrijke eerste stap in de verkenning van het Belgische adoptieverleden.11 Tegelijkertijd opent ze met deze gevalstudie een broodnodig debat over racisme, witheid en identiteitsformatie in het postkoloniale België.

Vanuit Viëtnam werden in de loop van 1975 duizenden baby’s en jonge kinderen overgebracht naar de Verenigde Staten, Canada, West-Duitsland en Frankrijk. In de loop der jaren werd het vliegtuig een krachtige visuele trope in de populaire verbeelding van adoptiepraktijken (Gerald R. Ford Library, White House Photographic Office Collection, 12007111)

De voorgaande alinea’s reflecteren een dominante focus op de Angelsaksische wereld. Tot op heden gebeurde er in België geen specifiek historisch onderzoek naar interlandelijke adoptie. Dit lijkt enigszins verband te houden met een breder gebrek aan nationaal onderzoek naar postkoloniale praktijken.12 Toch biedt de Belgische casus een vruchtbaar onderzoeksveld, dat een waardevolle bijdrage kan leveren aan het internationale debat. België hechtte als kleine natie in het hart van Europa een groot belang aan supranationale organisaties, die inzetten op de globale promotie van mensenrechten en humanitaire hulpverlening. Tegelijkertijd was de Belgische samenleving gekenmerkt door een hoge mate van privatisering en verzuiling van de zorgsector. De sterke positie van middenveldsorganisaties, in het bijzonder van katholieke spelers, opent boeiende onderzoekskansen naar de religieuze en missionaire wortels van het Belgische adoptielandschap. Verder hoop ik in mijn eigen doctoraatsonderzoek te kunnen wijzen op de vervlechting van interlandelijke adoptie en ontwikkelingssamenwerking, wat zal bijdragen tot een beter begrip van postkoloniale attitudes, het opkomende ‘derdewereldsbewustzijn’ en transnationale netwerken in het naoorlogse België. Ten slotte tracht ik via interviews met verschillende beleidsmakers en bemiddelaars zicht te kunnen krijgen op de persoonlijke motieven en ervaringen achter de dagdagelijkse beslissingen die de verplaatsingen van de kinderen in goede banen moesten lijden. Op die manier wordt een brug geslagen naar het huidige adoptieveld, waar academisch onderzoek slechts selectief is doorgesijpeld. Enerzijds biedt een wederzijdse dialoog historici de kans om hun onderzoeksvragen te toetsen aan hedendaagse problemen en vraagstukken. Anderzijds kan de adoptiewereld zich niet langer veroorloven om historische inzichten niet op te nemen in hun zoektocht naar antwoorden op de ethische vragen die in het maatschappelijk debat rond interlandelijke adoptie een steeds luidere weerklank vinden.

- Chiara Candaele

Referenties

  1. In 2017 keurde het Ethiopische parlement een wetsvoorstel goed dat adoptie door buitenlanders verboden maakt. Zo belandt Ethiopië in het steeds langer wordende rijtje van staten die hun medewerking aan interlandelijke adoptie hebben opgeschort. Over de oorzaken van deze ontwikkelingen, zie: Selman, Peter, ‘The rise and fall of intercountry adoption in the 21st century’, in: International Social Work, 52:5 (2009): 575-594.
  2. Zahra, Tara, The Lost Children (Cambridge: Harvard University Press, 2011).
  3. Caestecker, Frank en Eloy, Sarah, ‘De opvang van Spaanse minderjarige oorlogsvluchtelingen in België’ in: Pauwels, Hilde (red.), Los niños (Leuven: Epo, 2007), pp. 199-220; Hajtó, Vera, Milk sauce and paprika. Migration, childhood and memories of the interwar Belgian-Hungarian child relief project (Leuven: Leuven University Press, 2016).
  4. In België werd de adoptie van minderjarigen wettelijk mogelijk vanaf 1940, mits de adoptant 40 jaar of ouder was en zelf geen nakomelingen had. Voor de rechtskundige evolutie van de Belgische adoptie-instelling, zie: Pyl, Astrid, De evolutie van de adoptie in België in de 19e en 20ste eeuw, onuitgegeven masterproef (Universiteit Gent, 2010).
  5. Berebitsky, Julie, Like our very own. Adoption and the changing culture of motherhood, 1851-1950 (Lawrence: University Press of Kansas, 2000); Melosh, Barbara, Strangers and kin. The American way of adoption (Cambridge: Harvard University Press, 2002).
  6. De Graeve, Katrien, Making families. Parenting and belonging in transnational adoption in Flanders, onuitgegeven doctoraatsverhandeling (Universiteit Gent, 2012).
  7. _Global families, global inequalities. The politics of child relinquishment, search and reunion in transnational adoption_, onderzoeksproject gefinancierd door Fonds Wetenschappelijk Onderzoek, Universiteit Gent, Vakgroep Talen en Culturen.
  8. Hübinette, Thomas, ‘Adopted Koreans and the development of identity in the ‘third space’’, in: Adoption & Fostering, 28:1 (2004): 16-24; Volkman, Toby A. (red.), Cultures of transnational adoption (Durham: Duke University Press, 2005).
  9. Briggs, Laura, Somebody’s children. The politics of transracial and transnational adoption (Durham: Duke University Press, 2012); Bartholet, Elizabeth, Nobody’s children. Abuse and neglect, foster drift and the adoption alternative (Boston: Beacon Press, 2001).
  10. Denéchère, Yves, Les enfants venus de loin. L’histoire de l’adoption internationale en France (Parijs: Armand Colin, 2011).
  11. Heynssens, Sarah, De kinderen van Save. Een geschiedenis tussen Afrika en België (Antwerpen: Polis, 2017).
  12. Ceuppens, Bambi en De Mul, Sarah, ‘De vergeten Congolees. Kolonialisme, postkolonialisme en multiculturalisme in Vlaanderen’, in Arnaut, Karel, Bracke, Sarah en Ceuppens, Bambi (red.), Een leeuw in een kooi: de grenzen van het multiculturele Vlaanderen (Antwerpen: Meulenhoff/Manteau, 2009), pp. 48-67.