Contemporanea
Jaargang XXXVIII Jaar 2018 Nummer 4

Recensies

Bernardo y Garcia, Luis Angel, Le Ventre des Belges. Une histoire alimentaire des temps d’occupation et de sortie de guerre (1914-1921 & 1939-1948), (Bruxelles : Archives Générales du Royaume, 2017), p. 493.

Laura Eskens, KU Leuven

‘La Belgique, pays industriel, le plus peuplé du monde eu égard à l’étendue de son territoire, ne produit que la moitié des vivres qui sont nécessaires à sa subsistance. À cet égard, la situation de la Belgique est unique sur le continent Européen.’ Met deze quote opent Luis Bernardo Y Garcia zijn boek ‘Le Ventre des Belges’.1 Daarmee beargumenteert hij meteen waarom een studie naar de Belgische voedselvoorziening in oorlogstijd broodnodig is. In tegenstelling tot andere West-Europese landen, kende België samen met het Groothertogdom Luxemburg twee bezettingsregimes. Het dichtbevolkte België was niet zelfvoorzienend, dus een strategische, goed uitgekiende voedselbevoorrading en -verdeling was onontbeerlijk om de monden te voeden en een hongersnood te voorkomen. Het is daarom verbazingwekkend dat het historisch onderzoek naar de complexe mechaniek achter de voedselvoorziening slechts met mondjesmaat is onderzocht. De aandacht ging vooral naar de private organisaties die instonden voor de voedselhulp tijdens de Eerste Wereldoorlog, zoals het Nationaal Hulp en Voedingscomité en de Commission for Relief in Belgium.2

Over de Tweede Wereldoorlog blijft de historische kennis echter beperkt. Het weinige onderzoek gaat niet veel verder dan de studie van officiële rantsoenen en maatregelen.3 Een diepgaande analyse van de achterliggende politieke dynamieken, het falen van het rantsoensysteem en de sociale gevolgen van de zwarte markt ontbreken. Bernardo Y Garcia is de eerste die zich aan een grondige studie van de complexe voedselproblematiek in oorlogstijd waagt.

‘Le Ventre des Belges’ onderscheidt zich sterk van bovenvermelde historiografische traditie. Zo daagt Bernardo Y Garcia op twee manieren de conventionele onderzoeksperiodes en tijdsafbakeningen uit. Ten eerste maakt hij een vergelijking tussen de twee wereldoorlogen, waarbij hij de kennis opgedaan tijdens en na de eerste bezetting als cruciaal ziet in de keuzes gemaakt tijdens de tweede Duitse bezetting. Hij vergelijkt de twee periodes echter niet op een systematische manier, behalve in het besluit, waardoor de vergelijking niet terug te zien is in de opbouw van het boek. Na een eerste hoofdstuk waarin hij de verschillende episodes van oorlog en voedselschaarste in het twintigste-eeuwse België overloopt, bouwt hij het boek op volgens de verschillende actoren: de regering in Londen, de diverse actoren in België, de Europese en Amerikaanse actoren en het Ministerie van Ravitaillering. Die opbouw doet helaas onrecht aan zijn comparatieve aanpak.

Ten tweede hecht Bernardo Y Garcia veel belang aan de periodes van naoorlogs herstel van 1918 tot 1921 en 1945 tot 1948. Daarbij gebruikt hij bewust de term sortie de guerre in plaats van het gebruikelijke après guerre om de trage overgang van oorlog naar vredestijd te benadrukken. Zijn originele benadering van het chronologische en ruimtelijke kader van het voedselbeleid staat hem toe de ervaring van de twee bezettingsperiodes enerzijds en het internationale – weliswaar erg Westerse – kader anderzijds mee te nemen in zijn analyse.

Bernardo Y Garcia nam voor dit onderzoek een indrukwekkende hoeveelheid bronnen door. Hij koos voornamelijk voor archieven van de officiële instanties: overheidsinstellingen, ministers, leden van de secretaris-generaal en enkele topfunctionarissen. De hoofdbrok is het omvangrijke, door Bernardo Y Garcia geïnventariseerde archief (74 meter!) van het Kabinet van het Ministerie van Ravitaillering en Import en de secretaris-generaal van dat ministerie. Zijn expertise als archivaris uit zich ongetwijfeld in de opmerkelijke eruditie van archiefmateriaal, dat hij bovendien aanvult met overheidspublicaties, periodieken en de archieven van politieke partijen en enkele middenveldorganisaties.

Ondanks deze exhaustieve verzamelinspanning, leveren het bronnencorpus en methodologie ook enkele bedenkingen op. Het schoentje knelt in de eerste plaats bij zijn beperkte selectie van bronnen uit het middenveld, waarbij hij voornamelijk materiaal uit linkse hoek analyseert. Deze keuze verantwoordt hij niet. Bovendien valt op dat er geen enkel spoor is van de Liberale Partij – die tussen 1944 en 1947 toch de minister van Invoer Paul Kronacker leverde – noch van de relevante katholieke middenveldorganisaties, zoals de Boerenbond en de christelijke vakbond. Ten tweede ontbreekt de historische kritiek bij de kwantitatieve brongegevens. Bernardo Y Garcia springt voorzichtig om met de officiële statistieken, maar is daarentegen minder behoedzaam met cijfers uit de politieke retoriek. Zonder enige reflectie neemt hij gegevens uit de Parlementaire Handelingen over, zoals het bedrag dat de Belgische overheid spendeerde aan broodsubsidies. Het lijkt mij echter problematisch om het discours van een Kamerlid als een vaststaand feit te interpreteren.

Desalniettemin levert Bernardo Y Garcia een basiswerk voor historici met interesse in de Belgische politiek, de twee wereldoorlogen en de Belgische voedselvoorziening. Hij biedt een transnationale blik op de Belgische voedselproblematiek en ontrafelt minutieus de complexe machtsverhoudingen binnen de netwerken van diplomaten, ambtenaren, binnen- en buitenlandse middenveldorganisaties (zoals landbouwersverenigingen, vakbonden, coöperaties, liefdadigheidsorganisaties), de zakenwereld, de Belgische ministers in Londen, de geallieerde regeringen en de Duitse regering. Hij slaagt er helaas niet altijd in om die complexiteit op een heldere, synthetiserende manier weer te geven en te verklaren. De auteur overstelpt de lezer met nieuwe informatie en een wirwar aan namen van personen en organisaties in een lijvig boek (475 pagina’s). Een organigram en een index van personen, organisaties en instellingen zouden bijvoorbeeld een dankbare leidraad voor de lezer kunnen zijn. Verder maakt Bernardo Y Garcia soms generaliseringen. Zo schrijft hij veralgemenend over bepaalde socio-economische groepen, vermoedelijk een restant uit het bronnen-discours. Hij heeft het over ‘le monde agricole’, ‘les travailleurs’ of ‘les élites financières et industrielles’, maar heeft daarbij niet altijd oog voor de sociale en economische verschillen binnen die categorieën. Dit heeft ertoe geleid dat sommige conclusies enige nuance missen.

Toch slaagt de auteur er met die transnationale aanpak in de uniciteit van de Belgische casus aan het licht brengen. Dit leidde tevens tot één van de meest vernieuwende inzichten van zijn boek: het belang van het naoorlogse voedselbeleid in het verhaal van het Belgische economisch mirakel na de Tweede Wereldoorlog. Dat ‘mirakel’ werd al uitvoerig bestudeerd, maar nooit vanuit het perspectief van de voedselvoorziening. Bernardo Y Garcia toont hoe het Belgische voedselbeleid, gericht op luxegoederen voor de meer gegoede klassen, het naoorlogse herstel beïnvloedde. In tegenstelling tot de rest van West-Europa, waar een beleid van besparingen en zuinigheid werd opgelegd aan alle lagen van de bevolking, voerde de Belgische regering een beleid van ‘overvloed’. Zo kon ze de koopkrachtige elite weghouden van de gerantsoeneerde markt van basisproducten, bedoeld voor de arbeidersklasse en kon ze een gul basisrantsoen behouden in vergelijking met de buurlanden. De keerzijde van de medaille was dat de gegoede bevolkingsgroepen relatief snel hun koopkracht konden herstellen, terwijl het menu van de arbeiders weinig variatie kende : ‘le miracle économique ne s’est pas opéré sur les assiettes des travailleurs’ (p456-457).

- Laura Eskens

Referenties

  1. Het citaat is van Hubert Pierlot, premier van de regering die in augustus 1940 naar Londen vluchtte. Le Ventre des Belges is gebaseerd op Bernardo Y Garcia’s gelijknamige doctoraat dat hij in 2015 verdedigde.
  2. De recente herinneringshausse van 100 jaar Groote Oorlog leidde wel tot een hernieuwde aandacht voor de impact van de voedselschaarste op de spanningen tussen socio-economische groepen in lokale gemeenschappen en op nationaal niveau. Zie het werk van Peter Scholliers, Gisèle Nath, Antoon Vrints en Brecht Demasure.
  3. Zie het werk van Anne Henau, Mark Van den Wijngaert, Nico Wouters, Martin Conway.