Contemporanea
Jaargang XXXVIII Jaar 2018 Nummer 3

Recensies

Sarah Heynssens, De kinderen van Save. Een geschiedenis tussen Afrika en België. Antwerpen: Uitgeverij Polis 2017.

Aniek X. Smit, Erasmus Universiteit Rotterdam/Vrije Universiteit Brussel

Te blank of te westers voor Afrika, maar te zwart voor Europa. Het is een identiteitscrisis waar veel kinderen van migranten zich vandaag de dag in zullen herkennen. Dat deze geschiedenis echter verder terugvoert dan de recente vluchtelingenstromen en de gastarbeider migratie van de jaren vijftig en zestig blijkt uit het boek van Sarah Heynssens. In De kinderen van Save beschrijft zij het lot van zo’n driehonderd kinderen van gemengde afkomst die op het moment van dekolonisatie vanuit de mandaatgebieden Ruanda-Urundi naar België werden overgebracht. Heynssens plaatst de term ‘evacuatie’ daarbij terecht tussen aanhalingstekens en is kritisch over de legitimiteit van de ‘adoptie’ of plaatsing bij Belgische pleeggezinnen van veel van deze kinderen. Zij waren weliswaar voortgekomen uit buitenechtelijke relaties tussen blanke mannen en zwarte vrouwen, maar daarom nog niet noodzakelijk wees. Destijds werd hun komst naar België gezien als hun redding, later zouden de kinderen hier zelf ieder voor zich anders op terugkijken.

Hoewel de positie van de ‘metissen’ of ‘mulatten’ in koloniaal Afrika en postkoloniaal België op veel vlakken verschilt van die van migrantenkinderen, wijst Heynssens in haar boek veelvuldig op de vergelijkbare uitsluitingsprocessen waarmee zij geconfronteerd werden én worden. Racisme, discriminerende nationaliteitswetgeving, ondermaatse pleegzorg, adoptieschandalen en identiteitsproblemen – geen van de pijnlijke onderwerpen wordt uit de weg gegaan. Tegelijkertijd presenteert Heynssens een zeer gedetailleerde en gelaagde geschiedenis van mensen van gemengde afkomst in koloniaal Afrika, België en Europa. De nadruk ligt daarbij op de jaren vijftig, toen het merendeel van de kinderen uit het tehuis van de Witte Zusters van de missie van Save in hedendaags Rwanda naar België werd overgebracht. Heynssens sluit met het boek aan op recente internationale onderzoektrends, waarbij groepen die normaal onderbelicht blijven in politieke en economische geschiedenissen van de koloniale tijd, zoals vrouwen, kinderen, de inheemse bevolking en mensen van gemengde afkomst, nu eindelijk in het centrum van de aandacht staan.

De eerste grote verdienste van Heynssens is dat zij deze gecompliceerde en voor velen traumatische episode uit de Belgische koloniale geschiedenis zoveel mogelijk op het niveau van de individuele ervaring vertelt. Net als in eerdere publicaties, zoals De bastaards van onze kolonie. Verzwegen verhalen van Belgische metissen van Kathleen Ghequière en Sibo Kanobana, maakt Heynssens veelvuldig gebruik van historische foto’s en interviews met betrokken zusters, sociaal werkers, kinderen en een enkele biologische- of pleegouder.1 Ook als Heynssens zich bewust toont van de meer theoretische discussies die er – ook internationaal – bestaan over de positie van minderheden binnen de kolonie en sociale constructies als ras en gender, weet zij dit in begrijpelijk taalgebruik te doen. Desondanks is het boek soms wel een evenwichtsoefening tussen het meeslepende verhaal van de kinderen en een meer abstracte academische verhandeling. De auteur slaagt hierin, maar het boek is met 332 pagina’s exclusief notenapparaat wel aan de lange kant voor het bredere lezerspubliek.

Een andere kanttekening bij het genre van de populairwetenschappelijke publicatie, is het feit dat Heynssens weliswaar zeer consequent naar de internationale dimensie van het Belgische kolonialisme, transnationale adoptie en postkoloniale migratie verwijst, maar nergens echt deze Europese context schetst. Zo moet de lezer tot het laatste hoofdstuk wachten voor een typering van het koloniale beleid van andere Europese grootmachten en hun houding tegenover raciale vermenging.2 Ook blijft de vraag hoe deze specifieke casus van een kindertehuis in Ruanda-Urundi past in het bredere Europese, Afrikaanse of zelfs mondiale geheel, onbeantwoord. Een uitgebreidere historiografische bespreking van de literatuur over creoolse kindertehuizen in Zuidoost Azië – zoals in het werk van Ann Stoler, Elizabeth Buettner of het recente proefschrift van Liesbeth Rosen-Jacobson – of casussen van gedwongen adoptie en institutionalisering van inheemse kinderen in landen als Canada en Australië - de zogenoemde ‘Stolen Generation’ - hadden de lezer iets meer op weg kunnen helpen.3 Heynssens is wel bekend met deze literatuur, zo blijkt uit haar epiloog, maar lijkt de lezer hier niet direct mee te willen overladen. Daar tegenover staat dat de auteur het door de uitgebreide archief- en literatuurlijst voor anderen wel mogelijk maakt het onderzoek zelf voort te zetten.

De tweede grote verdienste van Heynssens is dat zij laat zien hoe deze koloniale geschiedenis in alle haarvaten van de hedendaagse samenleving doordringt. Zo geeft zij een korte geschiedenis van de transnationale en transraciale adoptie die van ‘aanbodgestuurd’ gedurende de jaren zestig en zeventig steeds meer ‘vraaggestuurd’ werd. De casus van de kinderen van Save valt binnen de eerste fase, omdat deze een gevolg van de koloniale aanwezigheid van België in Rwanda was. De meer recente schandalen rond kinderhandel door commerciële adoptiebureaus zijn een uitwas van de tweede fase, waarin wensouders uit verschillende landen een kind uit een arm land adopteerden met als voornaamste voorwaarde dat zij voldoende geld konden neerleggen.4 Heynssens confronteert een dergelijk onderscheid direct met de uiteenlopende motieven die Belgische pleegouders in de jaren vijftig hadden. Soms waren zij kinderloos, soms vonden zij een ‘zwart kindje’ wel exotisch, maar soms zochten zij ook simpelweg een goedkope arbeidskracht! Daarnaast wijst Heynssens op de professionalisering binnen het adoptiewerk en de pleegzorg naar aanleiding van de ervaringen van adoptiekinderen uit de eerste fase. Haar boek eindigt dan ook met enkele hoofdstukken over hun bijdrages aan de kennis en de discussie over hechtingsproblematiek en postkoloniale identiteitsvorming én de vraag of excuses door de Belgische overheid op zijn plaats zijn.

De meest aangrijpende episode uit het boek, ten slotte, is wanneer Heynssens op basis van brieven de stem van de Afrikaanse moeders reconstrueert. Zij maakten, soms met de hulp van anderen die konden schrijven, bezwaar tegen het ‘afstaan’ van hun kind. Deze noodkreten zijn hartverscheurend en brengen de lezer ook direct terug bij de realiteit van vandaag.5 Heynssens wijst er immers op dat de moeders in de Belgische beeldvorming enerzijds ongeschikt werden bevonden om de kinderen van gemengde afkomst een opvoeding naar Europese maatstaven te geven, maar anderzijds als nalatig werden gezien omdat zij hen in eerste instantie naar een kindertehuis hadden gestuurd voor hun opvoeding.6. Een catch-22 waar veel migrantenouders zich mogelijk in herkennen. De droom van een betere toekomst voor hun kinderen keert zich al snel tegen hen wanneer zij proberen een woestijn te doorkruisen of een oceaan over te steken. Bovendien stelt zowel het behoud als het verlies van culturele eigenheid hen vaak voor problemen, tegenover hun kinderen, tegenover hun eigen familie en tegenover de staat.

- Aniek X. Smit

Referenties

  1. Kathleen Ghequière en Sibo Kanobana, De bastaards van onze kolonie. Verzwegen verhalen van Belgische metissen. Roeselare: Roularta Books 2010.
  2. Sarah Heynnsens, De kinderen van Save. Een geschiedenis tussen Afrika en België. Antwerpen: Uitgeverij Polis 2017, 274.
  3. Liesbeth Rosen Jacobson, ‘The Eurasian Question’. The colonial position and postcolonial options of colonial mixed ancestry groups from British India, Dutch East Indies and French Indochina compared. Hilversum: Verloren 2018.
  4. Heynnsens, De kinderen van Save, 205.
  5. Idem, 186, 299-303.
  6. Idem, 80.